Luister naar het verhaal van de oudste zoon . . .

Luister naar het verhaal van de oudste zoon. Hij deed als zijn vader; stapte met zijn spaargeld naar de bank en kocht een schip. Op lijfrente. De vorige eigenaar van dat schip leidde echter een zo lang en gelukkig leven, dat, toen hij afscheid nam, de oudste zoon bijna geruïneerd was. Geen nood, in een ander schip geïnvesteerd. Een motorschip dit keer: bedrijfsvoering is vooruit zien.
Maar de oudste zoon moest dag en nacht varen om de lasten op te brengen. Hij besloot daarom een kleiner motorschip te nemen, om rustiger te kunnen leven. Wat heet echter rust, als de bank zijn rente opeist?

De tekenen des tijds werden zichtbaar. De vaart was geen welvaart meer, maar jakkeren, dodelijk concurreren, mot-bouw plegen om het hoofd boven water te houden. Het gelukte de oudste zoon niet. Na nog enkele andere schepen, sleepboten, zelflossers en God weet wat meer geprobeerd te hebben gaf hij zich gewonnen.
Geen eigenaar meer. Wel nog schipper. Gedwongen in dienst te treden van een onpersoonlijke rederij.
Een schipperszoon in loondienst: vroeger was dat verraad aan het bloed. Nu een vaak onvermijdelijke overstap. Van zelfstandige naar afhankelijke. Van schipper tot „kapitein" gedegradeerd, eertijds een scheldwoord voor „kantoorschippers", geen eigenaren dus.

De oudste zoon heeft het allemaal meegemaakt. Zelf voorgespannen aan de lijn, als er geen paarden waren. De kinderen helpen aankleden, als er in alle vroegte een riskant punt in de rivier gepasseerd werd: iedereen klaar om van boord te gaan, het geldkistje op de stuurbak.

Hij heeft de Kempenaar gevaren, gelost en geladen. Ging mee naar de beurs, leerde de techniek van de „reis". Roeide de dokter aan boord als er een kind geboren ging worden of ziek was. Kende ieder huis, iedere boomgroep aan de oevers tussen Rotterdam en Bazel.
Wist blindelings de ondiepten en gronden te vinden. Bad niettemin aan het begin van elke vaardag, met de pet in de handen: „Volaan vooruit, in Gods naam".

Vrije vogels

Die traditie bestaat niet meer. Maar bidden doen de schippers nog steeds. Of vloeken. In wanhoop, in verzet. Want voor de meesten van deze zwalkende zelfstandigen is geen leefruimte meer. Hun vaarwater is te smal geworden.
Zij beseffen dat. De laatste vrije vogels zijn langzaamaan vogelvrij geworden. Een gemakkelijke prooi van bedrijfsconcentratie. Verdrukten in de hoek waar de economische teruggang de hardste klappen uitdeelt. Zij weten dat alles. Maar zij kunnen zich niet overgeven: schippers hebben geen alternatief. Varen moeten ze. Niet door een wetsvoorstel via een sloopregeling een huis op vaste bodem betrekken. Niet aan de wal staan en toezien hoe grote concerns hun vervoer hebben overgenomen. Niet geslachtofferd worden omdat de vloot aan sanering toe is. Eeuwenlang hebben ze gevaren. Het is hun leven. En ze staan niet toe dat hen dat ontnomen wordt.
Niemand mag verwachten dat ze zelf hun bestaan tot zinken brengen. Verzet, dat blijft over. Deze onbekende, prachtige wereld komt in opstand. Er is geen keus.

Genadestoot?

Het verhaal van de Kempenaar is het verhaal van tienduizend andere schepen, van tienduizend schippers, kinderen, oudste zonen. Het is een verhaal, dat mogelijk aanstaande donderdag in de Tweede Kamer een slot krijgt. Een tragisch slot: de genadestoot voor de toch al murw geslagen, overspannen, niet in de crisis van de jaren dertig noch in de oorlog vernietigde vaart.
Voor eenmaal zullen de grootste individualisten die God geschapen heeft een gezamenlijke koers uitzetten. Voor eenmaal is de bestemming van de reis gemeenschappelijk. De zonen van de vaart verenigen zich.
Of daarmee hun onafhankelijkheid gered is maakt onze volksvertegenwoordiging uit.

Het is niet langer schande over zijn familie, wanneer een schipperszoon loontrekker wordt. Liever schipper als zetbaas dan baas zonder schip. Varen is noodzakelijk. Maar met het spaargeld een eigen bedrijf beginnen kan niet meer. Met het toenemen van het aantal bankgebouwen neemt het aantal eigen schepen af. Een Kempenaar zal er nooit meer gebouwd worden.

Thuis

Als de vier zonen thuis bij hun moeder zijn, is er geen ander gesprek denkbaar dan over de vaart. Een van de vier heeft het opgegeven: hij zit „aan de wal". Twee anderen vechten door, als schipper-eigenaar. Hun lot ligt in handen van de Tweede Kamer. De oudste bevaart een van de grootste motorvrachtschepen van de Rijn. Een schrale troost, want het is niet zijn schip.

De gesprekken van deze vier met hun moeder, deze mengeling van vrolijke herinnering, angstige toekomst en onverzettelijke koppigheid worden met de grootste aandacht en respect beluisterd door iemand, die in dit verhaal evenmin van belang is als de tien dochters: de jongste van het Kempenaar-gezin. Als enige niet aan boord geboren, een “wal-kind".

Twee foto's domineren de enige gepaste omgeving, waarin dit verhaal geschreven kon worden. Een portret van het schip dat veel geluk heeft gebracht. En een beeltenis van de man, die in 1909 van zijn spaarcenten dit schip liet bouwen. De vereeuwiging van voorbije onafhankelijkheid.

Laat het een vloek wezen of een bede. De kont tegen de krib of “Volaan vooruit, in Gods naam”. Ach, wat maakt het uit . . .

Uit het boek "Blokkade augustus '75" uitgegeven door het Actiecomité tot behoud van de Evenredige Vrachtverdeling